Dansen met een verhaal



Nijmeegse dansen

De Pierewaaiers hebben een uniek repertoire van dansen die een beeld geven van het leven in de Nijmeegse Benedenstad rond 1900. De dansen en de daarbij behorende liedjes, verwijzen naar historische figuren of gebeurtenissen uit die tijd. De dansen zijn afkomstig uit de Musical d'n Ouwe Stad, gemaakt door Esther Willems, die een aantal dansen heeft bewerkt voor de Pierewaaiers. De achtergronden van de dansen, zoals hieronder beschreven, zijn afkomstig uit het boekje 'Huus Toe Lillekerd'.

Bie Hanne in de kuul


In bepaalde gasjes in de Benedenstad van Nijmegen had men volop keus uit publieke vrouwen: de prostitutie was hier booming business. Veel van deze publieke vrouwen hadden bijnamen zoals Rooje Anna, Siene met de Hul en Gekke Flip. Over deze meisjes werden liedjes gemaakt.
Een van de bekendste liedjes is die over Hanne in de Kuul, die vlak bij de oude Kruittoren op de Kronenburgersingel woonde. Waarschijnlijk is dat Hanne inderdaad een hoertje is geweest, maar sommige mensen beweren dat Hanne een kasteleinsvrouw was in de Broerstraat waar je voor een daalder kaartjes voor de bedevaart naar Kevelaer kon kopen. Een goede smoes natuurlijk als er aan je werd gevraagd waar je was geweest. Zeker gezien de tekst van het lied dat op Hanne werd gemaakt (huus toe lillekerd), is een bezoek aan een dame van lichte zede de meest voor de hand liggende reden. Waarom zou je iemand die een kaartje voor een bedevaart koopt een ‘lillekerd’ noemen en het bezoek aan Hanne afkeuren?

Bie Hanne in de Kuul kost ‘t ’n daolder
’n daolder, ’n daolder
Bie Hanne in de Kuul kost ‘t ’n daolder,
’n daolder bie Hanne in de Kuul.
Huus toe lillekerd, huus toe lillekerd,
Ben de wér bie Hanne in de Kuul gewist,
Huus toe lillekerd, huus toe lillekerd,
Ben de wér bie Hanne in de Kuul gewist.

De Kaajsjouwer
Kaajsjouwers waren sterke, gespierde kerels die in de haven de schepen losten. Er waren twee ploegen: een loste de schepen in de Nieuwe Haven, de andere ploeg deed hetzelfde werk aan de kades in de Vluchthaven.
In elke ploeg werden een paar sjouwers aangewezen die bij de firma, waarvoor de bootlading bestemd was, een goede prijs voor het lossen moesten bedingen. Het was een groot verschil of de sjouwers de in de boot geloste kolen of graan eerst in zakken moesten scheppen en naar het pakhuis brengen, of dat ze zakken cement of balen tabak zo uit het ruim op een wagen konden leggen.
Het sjouwen ging als volgt: twee sjouwers schepten een zak vol, bijvoorbeeld met kolen, en plaatsten die op de schouders van de derde, die vervolgens met de zak over de loopplank naar de wal liep, de losplaats en de Waalkade overstak en de kolen in het pakhuis op een hoop stortte.  
Afhankelijk van de plek waar het schip lag en de locatie van het pakhuis, moesten de sjouwers de zware zakken (een zak kolen woog gemiddeld 80 kilo) vervoeren.

De schots van Jan de Miwwus
De meest populaire dans in Nijmegen rond de eeuwwisseling was ‘De Schots van Jan de Miwwus.’  
De Schots was een gezelschapsdans, eigenlijk een stamp- en huppeldans en ontleende zijn naam aan kastelein Jan Meussen, die in de Ziekerstraat een cafe en stalhouderij had. Zijn huis werd ook wel ‘het huus met de puus genoemd’, vanwege een verzakking in de buitenmuur. Vooral op kermisdagen werd in het cafe gedanst en per dans werd door het orkest 5 cent opgehaald. Het dansen begon op kermisdagen om 12 uur s’ ochtends en duurde tot middernacht, behalve op dolle maandag en na de varkensmarkt: dan begon men al om 10 uur ’s ochtends. Alle boeren en boerinnen uit de dorpen en gehuchten rond Nijmegen kwamen op hun klompen dansen.

Rooie Tiep Top
In de kleine, schilderachtige straatjes van de Benedenstad liepen mensen rond die probeerden als marskramer of straatartiest aan de kost te komen. Een van de bekendste en schilderachtigste figuren was Rooie Tiep Top, die als zogenaamde hardloper zijn brood probeerde te verdienen. Hij trad in de straten op in een bont gekleurd narrenpak met aan de zijkanten uitsteeksels die op koeienhorens leken. Zijn pak was helemaal volgestikt met kleine belletjes. Zijn opgave was dat hij tijdens een optreden nooit stil mocht blijven staan, steeds moesten zijn benen in beweging blijven, ook al duurde het soms even tot er iemand een deur of raam open deed om het een centje te geven. De mensen kregen tijd genoeg om een bijdrage te vinden, want nadat Rooie Tiep Top bij enige huizen had aangebeld, stak hij de straat over om daar met aanbellen te beginnen. Het oversteken van de straat ging gepaard met malle huppelpassen en wendingen. Daarbij moest hij uitkijken dat hij niet door een agent betrapt of bekeurd zou worden.
Als er een agent in aantocht was, werd door omstanders het sein gegeven ‘koper in de buurt’, waarop de artiest een of andere gang of huis indook om zich schuil te houden tot het gevaar geweken was.